- odds
- n. ongelijkheid, verschil; (grote) kans, waarschijnlijkheidodds[ odz]1 ongelijkheid ⇒ verschil2 onenigheid ⇒ onmin3 (grote) kans ⇒ waarschijnlijkheid4 verhouding tussen de inzetten bij weddenschap5 〈golf〉voorgift 〈van één slag〉♦voorbeelden:1 that makes no odds • dat maakt niets uitwhat's the odds? • wat doet dat ertoe?2 be at odds with • in onenigheid leven met3 the odds are even • er is evenveel kans voor als tegenface fearful odds • tegenover een geweldige overmacht staanthe odds are against/on his winning the election • naar alle waarschijnlijkheid zal hij de verkiezingen verliezen/winnenthe odds are that she will do it • de kans is groot dat ze het doet4 take odds of one to ten • een inzet accepteren van één tegen tien5 give/receive odds • voorgift geven/krijgen¶ odds and ends • prullen〈Brits-Engels; slang〉 odds and sods • rommelgive/lay odds (on) • wedden (op)I'll lay odds (on it) that he won't win • ik durf te wedden dat hij niet wintplay the odds • op de notering van de winnaar gokkenagainst all (the) odds • tegen alle verwachtingen inover the odds • meer dan verwacht
English-Dutch dictionary. 2013.